In de keuken zette zij haar koffer neer, legde haar paraplu schuin in de hoek tegen de muur, hees heel even haar jurk op en knielde. Met gebogen hoofd zei ze: 'Moeder, ik vraag u om vergiffenis.'

Meerke gaf haar met de duim een kruisje op het voorhoofd. Tante Berenice sprong overeind en trok haar jas uit. 'Goed,' zei zij. 'Zijn er hier schotels te wassen?' en liep naar de achterkeuken.

'Zij is geen haar veranderd,' zei Meerke. 'Ik ben content. Want zij kan onze Omer verzorgen. Die twee waren niet van elkaar weg te slaan toen dat ze kinderen waren.'

Maar Omer weigerde naar de deur van de garage of naar het raam te komen. Tante Berenice riep met een kinderstemmetje: 'Merke, Merke,' en perste haar gezicht tegen het glas. Maar waarschijnlijk dacht hij dat die vreemde hem voor Meerke hield. Hij had een van zijn slechte dagen.

==

'Is het een goede dag of een slechte dag, Nonkel Omer?'

'Een goede dag, Louis. Gisteren was het een slechte dag.'

'Uw zuster, Berenice, is gearriveerd.'

'Ik heb haar goed gekend. Goed gekend.'

'Zij heeft u nog geroepen.'

'Dat is jammer, want gisteren was het een slechte dag.'

'Dat was drie dagen geleden.'

'Het is een teken dat zij niet kan roepen. Hector kan wel roepen. Waarom zij niet?'

'Zij komt vanavond weer.'

'Wij gaan zien. Wij gaan zien.'

'Komt ge in huis om te kaarten, Nonkel Omer?'

'Nee, ik geloof dat ik vandaag eens niet buiten kom.'

'Maar ge komt al een week niet buiten.'

'De slechte dagen, dat telt niet mee voor een week. Broeder Benjamin verstond dat ook niet. ''Alle dagen zijn gelijk," zei hij en krak met de matrak op uwe kop. ''Het is geen matrak," zei Broeder Benjamin, ''het is een goedendag." En krak op uwe kop. ''Ik zie niet gaarne triestige aangezichten, ge hebt een dak boven uw hoofd en eten in uw mond en als 't nodig is vagen wij uw gat af, 't minste dat ge kunt doen is niet zo'n triestig aangezicht trekken als ik passeer," en krak met de goedendag, ''ge moet goedendag zeggen tegen het leven," zei hij, ''allee, kom op, allemaal samen, Leven, goedendag! Leven, goedendag! en Nieuwe morgen zonder zorgen!" en Broeder Benjamin zong het hardst van allemaal. Soms waren we content. Wat denkt ge, Louis, waren we content? Ge hebt gelijk, ik mag niet vragen, ik moet mijn plaats kennen. Ik ga nooit content zijn lijk vroeger, soms vertrekt mijn mond en ik hoor iets lijk een rochel of een mossel in mijn keel die er uit wil, maar lachen is het niet zelfs al is het de beste dag en die komt maar als het geen dag meer is maar nacht.

'Konrad zei: ''Kijk in mijn ogen, ge gaat wel moeten lachen," en ze zeggen dat ik gelachen heb maar als ge 't zelf niet weet, Louis, hebt ge dan gelachen? En zelfs al zou ik gelachen hebben wil dat zeggen dat ik content ben? ''Kijk in mijn ogen," zei Konrad, dat is makkelijk zeggen, als ge weet dat ge verdrinkt in zijn ogen en dat ze u meezuigen in het donker en voor dat ge 't weet zijt ge verdwenen en daar zit het woordje ''wenen" in, Louis, nee, niet Wenen in Duitsland.'

'Het is weer Oostenrijk, Nonkel.'

'Dat is wel. Wel wel, dat is wel. Maar waarom is het wel? Ge gaat mij dat uitleggen.'

'Een andere keer, Nonkel.'

'Dat zegt Konrad ook. Een andere keer, Nonkel. Of: Omer. Ik geloof dat hij tegen mij meer Omer zegt dan: Nonkel.'

'Het wordt donker, Nonkel.'

'Dat komt door de vrouwen. Hebt gij mij al ooit een kwaad woord over de vrouwen horen zeggen, Louis? Ge hebt gelijk, ik mag niet vragen. Zij hebben mij lelijk gearrangeerd, de vrouwen, want anders had ik echte studies gedaan, ik had een hoofd voor gedachten.'

'Het zal allemaal terugkomen, Nonkel.'

'Wij gaan zien, wij gaan zien.'

'Het is donker, ik moet gaan eten.'

'''Ge moet zo nerveus niet zijn," zegt Therese, ''alleen maar omdat ik met uw broer ben gaan dansen in alle eer en deugd." Ik zeg: ''Therese, ik heb geen stront in mijn ogen." In die tijd al en ik spreek nu van voor de oorlog, geloof ik, stond mijn mond gereed om te lachen, ik voelde hem uitrekken lijk een caoutchouc maar ik kon niet lachen. ''En," zegt ze, ''moest ik nu een keer met uw broer!" Ik zeg: ''Maar Therese!" "Gesteld," zegt ze, ''supposons." Ik zeg: ''Maar meisje."' 'Want ge kunt nooit weten," zegt ze, ''ge kunt dat niet commanderen, het is Amor die schiet en ge staat toevallig in de weg." Zuster Claudine zei dat ook op de infirmerie, als ze mijn hoofd vast had in haar tang. ''Het is Amor, Amor, Amor," zei ze, ''die u in ons huis gebracht heeft." En Broeder Benjamin had mij ook vast. ''Gaat ge nog spartelen?" riep hij en hij heeft nochtans sterke armen van met de platte kegel te spelen, en Zuster Claudine die mij vasthield zegt: ''Lig stil, peinst een beetje aan de Chinese minette en het gaat overgaan," maar 't ging niet over, als ik aan de Chinese minette peinsde begon ik te spartelen en te daveren, hoe meer dat ik er aan dacht, hoe...'

'Wat is dat, de Chinese minette, Nonkel?'

'Ik dacht dat het donker was en dat ge gaan eten waart.'

'Nee. Wat is de Chinese minette?'

'Wie een onschuldige bederft moet met een molensteen rond zijn nek verdronken worden. Al heeft hij zeven levens, zeven keer een molensteen.'

'Gij weet het zelf niet wat het is, de Chinese minette.'

'Of dat ik het weet. Dat ik het weet. Dat ik het geweten heb.'

'Ik ga u tien sigaretten brengen.'

'Met lucifers?'

'Nee, ik ga u elke keer vuur komen geven.'

'In Violet's kamer in de koekendoos met Koningin Astrid erop, daar moet ge zijn. Ge pakt de foto die erin ligt tussen al die andere foto's waar Therese op staat die zwaait naar mij met die madame met haar witte hoed nevens haar. Ze zwaait naar mij, ge kunt het goed zien, op 't moment dat ik op de trein stap op weg naar mijn examens.'

'Nonkel Omer, ge vraagt dat nu al voor de honderdste keer. Ge weet dat ge die foto niet moogt hebben. Dat het slecht voor u is.'

'Beloof me dan dat ge er op gaat peinzen om ze eens te pakken. Op een dag lijk vandaag.'

'Beloofd.'

'Zweer het op het hoofd van uw triestige moeder.'

'Ik zweer het.'

'Waarom zweert ge?'

'Omdat ge mij moet vertellen over de Chinese minette.'

'Therese heeft nooit de Chinese minette gedaan. Nooit, nooit, jamais.'

'Nee, het was Zuster... Zuster... een non...'

'Zuster Claudine was geen non. Gij moet nog alles leren, gij.'

'Een verpleegster dan. Nonkel, ik ga u tien sigaretten brengen.'

'Bon. Explication. Chinese minette, dat is algemeen geweten, is als ge bij een vrouw een ballonnetje insteekt.'

'Is dat alles? Een capote anglaise insteken?'

'Louis, wat heb ik gezegd? Verstaat ge geen Vlaams? Moet ik het in het schoon proper Vlaams zeggen dat gij spreekt met al uw pretentie? Een ballonnetje van gelijk welke kleur. Dat is alles. Nee, pardon, het is niet alles, als ge het er in gestoken hebt moet ge blazen. Ik heb voor Zuster Claudine wel voor honderd frank ballonnetjes gekocht in de Grand Bazar op de kinderafdeling. ''Het is voor een feestje," zei ik. En maar blazen. Voila.'

'En hoe lang duurt dat?'

'Na een tijdje blaast ge niet meer zo hard. Na een week of twee. Als de nieuwigheid er af is. Uw hart is er niet meer bij. Maar ge moet. Omdat zij het u vriendelijk vraagt. Ge zijt niet van steen. En maar blazen. Mijn ogen puilden uit, ik voelde de aders springen en ik kreeg een kop lijk een ballon, maar dan een voetbalballon, en mijn broer die op bezoek kwam die week omdat ze dachten dat ik op sterven lag, in de spreekkamer, ja, dezelfde broer, ik zal zijn naam niet luidop zeggen, zegt: ''Wat is dat met u? Ge krijgt zo'n dikke kop, gij zoudt een tijdje naar Zwitserland moeten, ge krijgt hier geen zuurstof genoeg." Want hij zag mij gaarne, mijn broer.

Therese zei: ''Zelfs al zou ik een keer met uw broer..."

De psychiater, Broeder Ildefons, zei dat het kwam door Therese en mijn broer dat ik dat ik dat ik... maar dat is niet waar, hij moet nog veel leren, gij ook, het was bij de tramhalte in Hooregem, in het cafe 'Halverwege'. Daar is het gebeurd en niever anders. Ze zegt: ''Zelfs al zou ik... Gesteld," zegt ze, ''supposons", en ik was op mijn ongemak, dat is waar, ik ben zelfs naar buiten gegaan, naar de tramhalte. Niet koleirig maar triestig. Zij komt een kwartier later. Ik zeg: ''Hebt ge betaald in het cafe 'Halverwege'? ''Ja," zegt ze, ''ik heb betaald." Wij wachten op de tram en dan komt dan komt dan staat Blanche van het cafe 'Halverwege' bij de tramhalte en ze roept naar Therese: ''Vuil schandaal, smerig vrouwmens, wie peinst ge dat gij zijt." En ik peins dat Therese toch niet betaald heeft, en Blanche schreeuwt: ''Doe dat in uw eigen huis, laat dat in uw eigen wc traineren!" en Blanche smijt een pakske naar Therese maar het komt op mijn wit hemd, hier, hier, en ik vang het op, dat pakske en het was een lap met bloed eraan, en al 't bloed op mijn handen en op mijn wit hemd. Ik hoor het Therese nog zeggen: '''t is naturel" en in mijn mijn mijn zenuwen geef ik een schreeuw en omdat ik mijn eigen hoorde schreeuwen en ik dacht: wat staat die vent hier te schreeuwen? stak ik die lap in mijn mond, Therese trekt hem er uit en die bij de tramhalte op de tram stonden te wachten zeggen dat ik wel tien, twintig keer gezeid heb dat het naturel, naturel lel lel was, lijk of dat het met mijn volle gedacht was maar mijn gedachten waren leeg en dan heb ik mijn kop neergelegd tussen de paardenbloemen, in alle eer en deugd.'

'Ee-ten!' riep Tante Violet.

==

Nonkel Omer hielp de tobbe uit de garage sjouwen. 'Ho, ho,' riep hij.

'Pas op dat gij u niet verrekt,' zei Tante Berenice.

'Ik pas altijd op, Madame,' zei hij. 'Let er maar eens op.'

In het bleek zonnetje waste Mama haar en Louis' kleren. Zij sloeg de natte kleren soms uit met het geluid van een knallende paardenzweep dat drie vier keer weergalmde vanuit de bossen rond het preventorium. Toen stond een onbeweeglijke man in een regenjas die hem veel te wijd was, met een hoed op die tot vlak boven zijn wenkbrauwen getrokken was, naar de zwetende, bedrijvige vrouw te kijken. Hij had een rechthoekige rieten mand bij zich waaraan twee geruite sloffen hingen.

Mama haalde haar rode armen uit het sop, wreef ze droog aan haar voorschoot. Papa kwam schoorvoetend nader. Hij had een nooit eerder geziene kloof tussen zijn ijle wenkbrauwen. Mama bleef haar handen droog wrijven.

'Ja, Constance,' zei hij en deed een beweging alsof hij haar wilde omhelzen. Zij kwam nader. 'Toch,' zei zij.

'Ja, Constance.'

'Ik ben, ik was aan het wassen.'

'Dag, Papa.'

'Ah, daar zijt gij.' Zij drukten elkaar de hand, Louis nam de rieten mand uit zijn vaders hand. Louis zocht naar de sporen die de gevangenschap had achtergelaten, hij vond een wat onwillige, versufte man met een laaghangend kruis, slaapzieke gebaren die berekend waren op andere afmetingen, een andere omgeving, een andere lucht. En wat had hij kleine tanden.

'Zij zeiden dat ik weg mocht,' zei Papa.

'Dat zeggen zij. Maar ja. Wij gaan zien. Wij gaan zien,' zei Omer die zich toen afwendde en naar de duiven riep. Zij daalden, rakelings langs Papa, die er naar sloeg met een angstige zwaai. Toen rende Tante Berenice uit de keuken. Juichend riep ze: 'Staf! Staf!' en kuste hem op beide wangen, haakte haar arm in de zijne. Mama nam zijn andere arm. Als een zieke, meer gehesen dan getrokken, liet Papa zich in de keuken leiden. Meerke zei dat hij er goed uitzag, had hij daar in de open lucht moeten werken misschien?

'Ik ga de baron een kaartje schrijven om hem te bedanken,' zei Mama. 'Met een fles Bourgogne erbij.'

Papa zat in Meerkes zetel, weigerde zijn regenjas uit te trekken, hij had in zijn gerafelde zakken schatten bij zich die hij op het gepaste ogenblik, een verlate sinterklaas, te voorschijn zou toveren.

'Zulke slechte frieten dat ik daar kreeg,' zei hij. 'Ge weet wel, van die slappe, dikke frieten. Ze waren ook altijd lauw.'

'Allee, Constance, bak gauw frieten voor uw vent,' riep Meerke. 'Met hoofdvlees!'

'Straks,' zei zij die de oorzaak en de schuld en het gevolg en de boete was. 'Straks, wij moeten eerst wat gewoon worden aan hem. Vindt ge niet, Staf?'

'Maar die mens vergaat van de honger!'

Er werden eieren met spek gebraden. Iedereen keek toe. Naarmate hij at, dijde hij uit, werd hij krachtiger, zelfverzekerder. Niet alleen door de voeding maar ook door hun aanwezigheid. De Seynaeves en Bossuyts voedden hem, heel gauw zou hij weer in zijn nieuwe gedaante heersen over Louis' harem, een totale aanwezigheid in huis. Want hij heeft huisarrest. En hij is veel kaler geworden.

'Is er iets zoets?'

'Een boterham met confiture, Staf? Of...?' Meerke klom op een stoel en haalde van de bovenste plank van de keukenkast een groot stuk frangipane dat ze verstopt had voor Tante Violet.

'Eet er niet te veel van, Staf, wij gaan om zeven uur aan tafel,' zei Mama.

'Ge proeft dat het gemaakt is met zuivere boter,' zei hij en schrokte.

'D'r zit wel essence d'amandes in natuurlijk,' zei Tante Berenice.

'Frangipane,' zei Papa. ''t Is lang geleden.'

'Eet niet zoveel Staf. En niet zo rap.'

'Ge moet denken aan de slachtoffers, Staf, al die joden die in Antwerpen toegekomen zijn,' zei Tante Berenice. Zijn mond vol frangipane viel open.

'Ge gaat niet beginnen, Berenice!' kefte Meerke.

'Ik bedoelde, moeder, dat het voor zijn bestwil is als hij niet te veel in een keer eet. Zoals de joden in Antwerpen die uit de kampen kwamen. Zij werden gewaarschuwd, allemaal, maar hun familie heeft ze volgepropt en er zijn er een heleboel gestorven, van te veel in een keer.'

'Ik zou liever niet aan de joden peinzen,' zei Papa. 'Maar ik moet wel. Wij zijn stom geweest in de oorlog, wij zijn ziende blind geweest.'

'Spreek van iets anders,' zei Meerke op weg naar de keukenkast met het laatste driehoekje taart.

Papa groeide zienderogen. De haveloze man in de regenjas verdween, de man in de rotanzetel werd vertrouwd. Zelfs toen hij pijn kreeg aan zijn maag die vroeger van beton was geweest, zelfs toen hij zei dat hij zo afgezien had in het kamp dat hij er tot Onze Lieve Heer gebeden had elke nacht, enfin bijna elke nacht, en dat hij nu uit eigen ondervinding wist dat er solidariteit was onder de mensen, dat sommige gevangenen heiligen waren, hij noemde hun namen en bijzondere werken, merkte dat na de derde of vierde naam in de heiligenkalender de aandacht van de vrouwen verslapte, en zei: 'Misschien dat dat laatste stukje frangipane mijn maag zou kalmeren.'

Hij kreeg het, smakte. 'Het is lang geleden. Ge proeft dat het niet uit de winkel komt.'

'Het is de taart van de heilige Franciscus,' zei Tante Berenice.

'Het komt van brood, pane en frangi, Franciscus,' zei Louis meteen. (Want ik, ik, Tante, ben de Koning van dit soort stompzinnige flarden onbenullige futiliteiten, boerenalmanakwijsheden en wetenswaardigheden van het laatste knoopsgat die mijn afgestorven Peter mij niettegenstaande alles als erfenis heeft meegegeven als een negeropperhoofd.)

'Hij at het wreed gaarne,' zei Tante Berenice alsof Franciscus in de voorkamer aan het zieltogen was. 'Tot op zijn doodsbed vroeg hij ernaar, en omdat hij te zwak was en niks meer naar binnen kreeg hebben de andere paters en zijn vrienden, of zij trek hadden of niet, mondvollen frangipane gegeten, dat hij het kon zien.'

'Tiens,' zei Papa. 'Nog iets dat ik niet wist.'

Djeedie kwam langs met kartonnen dozen vol soldatenconserven in ruil voor groenten uit de tuin. De lucht van de frieten leek hem te hinderen.

'My daddy.'

'Hi.'

'Het is een jood,' zei Papa. 'Waar of niet? Ik herken ze direct. Mijnheer, ik moet u persoonlijk en in alle oprechtheid mijn excuses aanbieden. Louis, vertaal dat.'

Djeedie's blauwe, langwerpige kaakbeenderen gingen op en neer. 'Persoonlijk en in naam van de Vlamingen. Ik heb u en al uw rasgenoten onrecht aangedaan. Vertaal.'

Rasgenoten. Wat was het woord? 'All your race fellows.'

Djeedie zag dat Louis vertwijfeld zocht, dat Louis morgen een Nederlands-Engels woordenboek zou kopen en zei 'congeners'. Nooit van gehoord. Louis herhaalde het een paar keer, het bleef vreemd.

'Verstanden?' zei Papa. 'Eh, pardon, eh, compris?'

'Yeah, yeah,' zei Djeedie.

Die nacht trouwde Louis met Michele. Aan de met spierwit linnen overdekte tafel in de schaduw van een appelaar zaten zij tussen opgewonden bruiloftsgasten. Voor Papa stond een gouden schaal met een goudgebraden eend. Hij loerde er wellustig naar. Djeedie's donkere gestalte zat op een schimmel, hij reed traag voorbij, en toen hij links van het scherm uit het beeld was zei Michele en stotterde van emotie zoals Nonkel Omer: 'Le con le con le congenere.' Louis was geschokt, hij vond zijn bruid met haar witte hoed platvloers, hij wendde zich van haar af en op de schitterende schaal lag nu het afgekloven karkas van een eend, Papa keek ernaar, wellustig, met uitpuilende ogen en liploze open mond, 'Erbarmen,' zei Tante Berenice, en zo zat Papa daar een tijdje dood, met een servet onder zijn van eendenvet glimmende kinnen, toch ontstond er uit zijn dood gezicht een kinderachtig gejammer, het vulde Louis' kamer, Michele rende met wapperende bruidssluier, waar was de witte hoed? naar de volksdansende bruiloftsgasten, Papa jammerde, Mama bedaarde hem, Papa kreunde, Mama zei zeer duidelijk: 'Ik heb het u nog gezegd, Staf,' waarop hij bijna gemelijk als vroeger zei: 'Het komt van die frieten, zeg ik!' Het was toen stil in Mama's kamer. Alleen haar zwaar gehijg, en toen snakte zij een hele tijd naar adem.

==

'Er was van alles,' zei Papa bij de vulhaard in de voorkamer.

==

'Er was een zeer dun krom deemoedig vrouwtje in een kaki jas die ze van een Canadees gekregen had. Zij moest elke dag de vuilnisemmers buiten zetten. De mannelijke gevangenen die geen andere vrouw in hun gezichtsveld konden krijgen riepen haar liefdeskreten toe onderbroken door de cipiers en de herdershonden. Zij had in juni Drieenveertig de zes Witte Brigade-leden verklikt die haar huis, haar man en haar zestienjarige zoon in brand hadden gestoken. Zij had niet een tand in haar mond. Men had een inzameling voor een kunstgebit gehouden maar er was nog lang niet voldoende geld.

Er was een oogarts die in het Langemarck Studium gestudeerd had voor criminoloog en zijn dagen in de 'Flandria' op het bureau van de directeur had doorgebracht waar hij een efficientere organisatie van het gevangenkamp had ontworpen en uitgetekend met grafieken. Hij was ter dood veroordeeld, maar wij hebben geen vrolijker gevangene gekend. Hij haalde vaak een notitieboekje boven waarin, genummerd en met afkortingen die door niemand anders begrepen konden worden, honderden moppen stonden. Hij was aan driekwart van zijn verzameling, toen hij voor de Belgische geweren stond. Wij brulden in koor: ''Levet Scone!" omdat hij dat elke ochtend lacherig zei bij het wassen aan de pomp.

Er was Wanten van het radioprogramma 'Wanten en Dalle', en wie dacht aan de looiige onnozele hals met de brommerige stem die steeds door de wervelende krolse heks van een Dalle werd onderbroken, was verrast een beschaafde ingenieur met witte slapen te ontmoeten die niet een van de honderd kwinkslagen van zijn optreden kon onthouden. ''Want ik las dat af van een papier." Meestal zat hij in een atlas te snuffelen en te berekenen hoeveel kilometers Walle scheidden van Nieuw-Guinea of Valparaiso.

Er was Milou van Dentergem, de nskk'er die zelfs in zijn slaap zijn knokkels uittrok.

Er was Ambrosius die ze zijn bril hadden kapot getrapt en die tot op de dag van zijn dood met de kogel geen nieuwe wilde opzetten. ''Ik heb u allemaal meer dan genoeg gezien."

Er was Van Rossum die de monnikspij van Dolf Zeebroeck had gekregen toen die naar huis mocht en haar nooit uittrok. ''Gij hebt geen gedacht hoe aangenaam dat is, zonder onderbroek. Nu pas versta ik de paters."

Er was Roel de Ram die zo heette omdat hij met zijn hoofd tegen deuren en muren bonkte als er een vliegtuig overkwam,

Jos Muziek die eindeloos ''Kempenland, aan de Dietse Kroon" zong en geen woord verder geraakte tenzij af en toe lalala,

Sootje die tegen zijn pony sprak alsof hij nog op de ijscokar zat.

Er was Poeske, genoemd naar de veelvoudige wereldkampioen spurten Poeske Scherens, omdat hij een rit in de Ronde van Vlaanderen had gewonnen en die beweerde dat hij vaak delen van Ruski's had gegeten, ''Welke delen?" "Ge moogt drie keren raden! Met ajuintjes en citroen, het smaakt naar zwezerik."

Er was Piet de Kemel die op de grond sliep vanwege zijn lumbago en waar men 's nachts na het pissen zogezegd per abuis tegen schopte,

er was Maurice de Konte die gedichten schreef, altijd over Jacoba van Beieren die volgens hem een hete teef was in die tijd,

en zij allen bevolkten Meerkes huis en vierden er Zonnewende, de bekenden van Papa waar hij aanzienlijk meer over kon vertellen dan over zijn vrouw of zijn zoon en die hem bijna deden lachen, elke avond bij de vulhaard die nu met kolen en de laatste eierkolen wordt gevuld, ''Ach, wij konden elkaar soms de kop inslaan met onze emmers en een uur later hadden wij in elkaars armen kunnen vliegen."'

==

'En Dalle, Papa?'

'Wie Dalle?'

'De apotheker Paelinck.'

'Die mens heeft afgezien. Want wat niemand wist, was dat hij speciale pillen slikte uit zijn winkel, en achteraf gezien verklaart dat veel, hij stond altijd in vuur en vlam, weet ge nog, Constance? Die voordrachten en zijn werk aan de radio en zijn apothekerij, hoe had hij dat anders allemaal kunnen doen in een mensenleven? Ze zijn er dan achter gekomen dat Simone die pillen binnensmokkelde en ze hebben hem apart gezet, ge hoorde hem schruwelen tot op het Hooghe.'

'En Simone?' vroeg Mama.

'Dat weet ik niet. Iets met een Canadees, geloof ik.'

Op een avond, toen het gezin zich al lang verzoend had met de gedachte dat het nog weken kon duren, dit breiwerk van getetter gekanker gegniffel over zijn kameraden met hun rare kwalen, vertelde Papa over Jaak het Kalf, een elektricien die een tweede maag had waardoor hij herkauwde, toen hij ineens ophield, om zich heen keek, de sigaret uit Mama's mond haalde en eraan trok. Hij bleef kijken. Niemand, zelfs Tante Berenice niet, vroeg hoe het afgelopen was met Jaak het Kalf. Waarop Papa vroeg naar bed ging, met zijn sliert vrienden-in-de-nood, zijn enige verwanten, en er nooit meer over begon.

==

'Akkoord,' zei Papa, 'Hitler heeft lelijk gedaan, hij heeft zijn ideaal totaal vermassacreerd door de joden te massacreren, het is onmenselijk, als ge de foto's ziet keert uw hart zich in uw lijf, maar dat er zoveel waren, dat gaat ge mij niet wijsmaken, honderdduizend misschien, neem tweehonderdduizend, ik sla er een slag in, en hoeveel misdadigers waren daar niet tussen en gasten die de Staat omver wilden werpen? Daar moet ge als Staat toch iets tegen doen, het was op leven en dood, kijk naar andere Staten als ze bedreigd worden, kijk naar ons, als...'

Als. Niks als. De joden bleven terugkomen, de lucht van de pestilentie hen aangedaan daalde over Bastegem en een optocht van een man of dertig, met de Belgische vlag en het volledig elftal van de juniores van Bastegem Excelsior, mijnheer Morrens, en pastoor Mertens voorop, betoogde tegen de vervroegde vrijlating van de Zwarten en bleef ter plaatse trappelen op de maat van 'Toreador' uit 'Carmen' en slaakte verwensingen naar de veelvuldig behakenkruiste gevel. Goossens de veldwachter gebood hun verder te stappen en kwam 's avonds naar 'Zonnewende', in burgerpak, een man die Constance als klein meisje met een kalfsvellenransel gekend had en daarom Papa de raad gaf om zich heel heel koest te houden, bij wijze van spreken niet eens in de moestuin te lopen ofwel Bastegem te verlaten.

'Het is voornamelijk mijnheer Morrens, ge kent hem, hij haat alle zwarten.'

'Zogezegde zwarten,' zei Papa, renegaat.

'Hij wil ons dorp kuisen. Want hij wil burgemeester worden in de lente.'

'Maar ik heb hem nog nooit een strootje in de weg gelegd!'

'Het is niet tegen u persoonlijk, Staf. Hij heeft iets tegen de nazi's. Zo heeft iedereen iets.'

'Morrens heeft iets tegen mij,' zei Tante Violet rustig.

'Wanneer gaan de mensen toch uitscheiden om elkaar naar de keel te vliegen?' zei de veldwachter.

'Het is alleen maar tegen mij gericht,' zei Tante Violet nog rustiger, 'Morrens heeft niet alleen tegen mij getuigd in de Commissie maar hij heeft ook samen met pastoor Mertens leugens en verzinsels over mijn intiem leven rondgestrooid. Waren de tijden wat kalmer, ik deed hem een proces aan.'

'Denkt aan de kosten,' zei Meerke.

'Sommige mensen kunnen andere mensen niet uitstaan zonder dat ze daar een verklaring kunnen voor geven,' zei de veldwachter. 'Volgens mij had Hitler zoiets met de joden. Om de waarheid te zeggen, als ik diep in mijn hart kijk, heb ik dat ook. Ik zal meer zeggen: als ik dokter Vandenabeele op straat zie, een mens die mij nooit onderzocht, laat staan geopereerd heeft, wel, ik kijk naar de andere kant. Ik laat het niet merken natuurlijk, ge hebt een zekere educatie, maar ik kan die vent niet zien of ruiken, en als ik mij afvraag waarom...'

'...blijft gij 't antwoord schuldig,' zei Louis.

'Ja. Expliqueer dat nu eens. Mijn bloed kookt als ik hem zie. Komt dat nu omdat hij van de kanten van Oudenaarde is waardat mijn vrouw geboren is, het kan zijn.'

Hij was nog maar aan het hek of Papa wou emigreren naar Argentinie, mijnheer Byttebier had daar met geld van mijnheer Groothuis een houthandel opgericht. Deze tak van de Seynaeves zou een nieuwe toekomst opbouwen in het Spaans. Of in het Portugees? Louis zocht het meteen op in de Larousse van Tante Violet, het was Spaans, wat gemakkelijk is, als ge uw Franse vocabulaire kent, dan zet ge hier en daar een o achter en ze verstaan u. Het vlees van Argentinie is zeer goedkoop en smakelijk en er zitten al een heleboel kameraden. Zelfs Mama liet zich meeslepen die avond. 'Want hier is toch alleen maar verdriet te verwachten,' zei zij.

'Het verdriet van Belgie,' zei Papa.

'Ik was bijna verloofd met Morrens,' zei Tante Violet. 'Ik was achttien jaar oud en hij schreef mij brieven.'

'Weer die oude koeien,' zei Meerke.

'Schone brieven. Uit een brievenboek, maar met iets van zijn eigen ziel erbij.'

'Ik herinner mij dat niet, Violet,' zei Mama.

'Ik ook niet,' zei Tante Berenice.

'Het was ook te kort. Korter kan niet. Want de eerste dag, ik zeg wel: de allereerste dag dat hij mij naar huis bracht liepen we langs de Leie. Wij wandelden en hij vertelde dat hij voor dat hij bij zijn Pa in de textielhandel ging, een reis rond de wereld wilde doen, Macao, l'enfer du jeu, Zanzibar, de Kaap van de Goede Hoop, en in het vuur van zijn aardrijkskunde slaat hij zijn hand om mijn heup en ik, verliefd zijnde, ik doe het zelfde en zij daar' - haar bolronde witte kinnen in de richting van de rechtvaardig rechtsprekende moeder die haar hele leven lang de mannen van haar heeft weggejaagd - 'ziet ons en zij zegt: ''Violet, ik wil dat niet hebben, een jongen die ge voor het eerst ziet en die zoiets doet, die deugt niet, die kan niet veel waard zijn." En hoe ging dat in die tijd, ge waart gehoorzaam en christelijk en ge luisterde naar uw moeder. Ik heb hem een brief geschreven dat het beter voor ons tweeen was dat hij niet meer kwam. Hij heeft dat nooit kunnen verwerken, nooit, want hij heeft zich daarna in de verkeerde richting gesmeten.'

'De vraag is,' zei Papa, 'hoe geraken wij in Argentinie?'

'Met de boot.'

'Nee. Langs wie, langs welke kanalen moet die boot? Ik kan nu niet uit de voeten. Ik zou moeten gaan informeren bij mijn kameraden, maar die worden bespioneerd.'

'Ik wil dat wel voor u doen, Staf,' zei Tante Berenice zachtjes. 'Geef me de adressen en ik ga langs die kameraden van u.'

Louis zag Papa denken: Jaja, alle adressen en dan direct naar het auditoriaat. Omdat haar Bulgaar verdwenen is.

'Er is geen haast bij,' zei Papa traag. 'Wij moeten eerst een Assimil kopen, dat wij een beetje kunnen redeneren als wij daar aankomen.'

'Ik versta het.' Tante Berenice hult zich weer in haar wolkje van versterving en ruimt de tafel af.

==

BoMama zat ofwel dieper ineengezakt of zij was fel gekrompen. Uit haar zwarte sjaals en haar peignoir steeg een lucht van natte bladeren. Over haar hangwangen liepen de tranen. 'O, Gustave, o, Louis - O, Louis, zo'n schone vent dat gij wordt! Ge krijgt zeker al het vrouwvolk al achter u? Let niet op mij, ik ben nog niet gewassen, Helene zou komen maar er zijn solden in de Sarma, zij is daar blijven hangen, o Louis, mijn hartedief ik heb u lief.' Zij grabbelde naar Louis' hand en drukte vier vijf slobberige zoenen op zijn pols, zij hief haar rozige hondenhoofd, al haar rimpels zakten. 'Deugniet,' zei ze.

Papa keek verongelijkt in De Standaard. Zij zei meteen: 'Gij zijt ook verbeterd, Gustave. De verse lucht moet u deugd gedaan hebben. Ge ziet er sportief uit.' Papa leek meer dan ooit op zijn moeder, niet zozeer in de bouw van het gezicht als wel in de beweging die het gezicht onderging als het op iets reageerde, zoals nu de jaloerse kleine lippen. Zo moet ik ook op Mama lijken omdat ik haar in het allerprilste begin heb nageaapt, ik lag aan haar borst, ik beet er in, zij was woedend om het zeer dat ik haar aandeed en fronste haar neus, dat zag ik en deed haar na. En zo...

'Ik ga hem nooit meer zien,' riep BoMama. 'Ik wist het de dag dat hij vertrok.' Papa nam het verfrommelde vuile getypte papiertje. Was het een van de vele over West-Vlaanderen in bankkluizen verspreide testamenten van Peter?

'In het Frans,' zei Papa zuur. In het Frans meldden de Engelse autoriteiten dat sergeant Florent-Marie-Pierre Seynaeve in Negentien Tweeenveertig overleden was.

'Hij moet daar niet een vriend gehad hebben, in Gloesestersiere, want niemand is ons ooit een woord komen zeggen over hem.'

Pieta zonder lijk in de armen.

'Hij is daar misschien getrouwd.'

'Het zou in het briefje staan,' zei Papa.

'En het stoffelijk overschot?' sprak zij voorzichtig uit.

'Wij gaan schikkingen moeten treffen. Robert zou zich daarmee kunnen bemoeien. Ik kan niet, met mijn huisarrest. Ik mag hier niet eens zijn.'

'Zou hij geen pensioen hebben? Hij werkte toch voor de Engelse staat.'

'De Engelsen, moeder, de Engelsen.'

'Zouden zij hun handen van Florent af trekken?'

'De Engelsman kent alleen wat Engels is. Dat hebt ge rap met eilandbewoners.'

'Een geluk bij een ongeluk is dat zijn vader het nooit vernomen heeft. Hij heeft al zijn kinderen gelijk gaarne gezien maar Florent was zijn zorgenkindje. Zou Robert niet kunnen zorgen dat ze Florent uit Engeland overbrengen, dat hij naast zijn vader komt te liggen? Waarvoor hebben wij anders een familiegraf?'

Een keer chrysanten brengen voor alle twee, alle twee samen onder een arduinen zerk, alle twee tegelijk de prooi van de natte beesterij daaronder.

'Ik durf het bijkans niet zeggen, maar het is een pak van mijn hart. Een mens blijft hopen en verlangen en naar de Engelse radio luisteren. L'esperance, Louis, l'esperance, het is een wreed iets, het doet zeer, het gaat niet weg.'

Esperance, zo heet de trouwe en bitse dienstbode van een pastoor in een Vlaamse boerenfamilieroman. Esperance Braemscheute.

Papa zei dat hij en Louis de trein van vier uur moesten halen. Om kwart over vier zat hij naast zijn zoon op een kruk aan de toonbank van cafe 'Groeninghe' dat nu 'Chez Max' heette. Waar de foto's van Staf de Clercq en Raymond Tollenaere hadden gehangen was het behangpapier kleuriger. De vrouw van Noel zei dat haar man het goed stelde in het kamp van Lokeren, maar dat het beter was dat ze het bij een pintje lieten, 'want ge weet hoe de mensen zijn tegenwoordig. Mijn bloeddruk is veel te hoog, Mijnheer Seynaeve, ik ga het rechtaf zeggen, ik heb liever dat ge niet meer komt, ik kan er ook niets aan doen. Voorlopig toch niet.'

'Wij moeten niet toegeven aan de straat,' zei Papa heftig, 'wij moeten...'

'...iedereen moet voor zijn eigen deur vagen,' zei zij.

Aan het stadhuis hingen Belgische en Franse driekleuren. De winkels lagen vol chocolade, wijn, ananas, entrecotes, afgestroopte konijnen.

'Haar bloeddruk,' gromde Papa. 'Alsof ik geen hoge bloeddruk heb. Mijn oren suizen de hele tijd.'

Louis zocht Bekka in elke straat, zij was nergens te zien.

L'Esperance, als je een wereldreis zou doen, is een eiland bij Madagascar.

==

Naast de Belgische en de Franse vlaggen werd de Canadese gehesen, die met het groene esdoornblad, en toen zij er hing juichte het volk van Walle, want weer was de gevel van het stedehuus, scepenhuus uit Brabantse hardsteen met de versierde nissen in Valencynschen steen, als tabernakels waar ooit geschilderde en vergulde heiligen in stonden, versierd zoals het hoorde. Op den zuidoostelijken hoek des gebouws stond, gelijk aan de meeste wethuizen en hallen sinds Zestienhonderd, de maagd Maria, Kroon op het hoofd, Scepter in de hand, Kindeken op de arm, de Voeten steunend op den Leeuw van Vlaanderen.

Het was zondag. De godsvrede, waarbij geboden werd de vijandelijkheden en roverijen van den zaterdagavond tot den maandagmorgen en later uit eerbied voor de dagen waarop Christus zijn laatste lijden volbracht van den woensdagavond tot den maandagochtend uit te stellen, werd in Walle niet nageleefd.

Het volk joelde toen de derde camion op de Grote Markt reed. 'Het was kwart over elf, ik heb gekeken op het horloge van 't Belfort,' zei Mimi de bakkerin, 'en omdat die andere camions tamelijk vol waren en hij er alleen op stond met twee witten nevens hem, dacht het volk dat hij wel een belangrijke fameuze zwarte moest zijn met zo'n camion voor hem alleen, in ieder geval voor dat de camion stil stond schoten ze al naar voor, er waren erbij van de Toontjesstraat natuurlijk maar ook deftige burgers van de Doornikse wijk, ik ga ze niet noemen, maar ik heb ze gefotografeerd met mijn ogen en hij, hij bleef maar staan met zijn handen in de lucht totdat ze hem van de camion trokken lijk een zak patatten, de twee witten waren zelf benauwd, zij zeiden: ''Allee, allee," maar zij verroerden niet. En het is dan dat Georgette, de zuster van Jantje Piroen, hem herkende, zij riep: ''Maar godverdomme, het is Vuile Sef" en al dat volk riep: ''Vuile Sef! Ge moet nu eens kijken, Vuile Sef zelf! Gestapo, Gestapo!" en Jenny van 'De Graaf van Heule' springt op hem en geeft hem een slag in zijn nek en roept: ''Moet ge geen Amerikaanse liedjes meer zingen in mijn etablissement, expres om mij te laten pakken van de Gestapo?!" "Gestapo" schreeuwden ze, ge hoorde het tot in het Hooghe. Dan was er een clown die zei: ''Hij wilde toch zo gaarne een vrouwmens zijn, wel, laat ons zijn haar afsnijden als bij de vrouwen." "Dat is een goed gedacht," riepen ze en ze lachten lijk in de cirque. Die gast met de schaar begint te knippen, maar dat had hetzelfde effect niet natuurlijk als bij een vrouw, want zijn haar was al reglementair Duits kort, en ik dacht nog, hij gaat er misschien goedkoop van afkomen, de Brabanconne moeten zingen en een rammeling krijgen, maar hij was zo nerveus aan het beven, Mijnheer Seynaeve, en die gast met zijn schaar beefde ook zodat de schaar uitschoot recht in Vuile Sef zijn oog, die gast met de schaar roept: ''Pardon, het is mijn schuld niet, hij bleef niet stil staan!" en die van de Toontjesstraat vroegen: ''Wel, Vuile Sef, zijt ge nu content? Nee?" Mijnheer Seynaeve, hij keek recht voor hem met zijn kapot oog waar dat het bloed en het oog uitliep en met het andere, het was lijk een blauwe steen, want hij had schone ogen, weet ge 't nog, Louis? hij verzorgde ze, druppeltjes er in en hij verfde zijn wimpers. ''Content?" vroegen ze. En hij smijt zijn hoofd naar achter en hij knikt van ja. Hij knikt en hij blijft knikken met al dat bloed over zijn aangezicht, lijk of dat hij wilde zeggen: ik ben er toch aan, ge kunt allemaal hier in Walle mijn kloten kussen. En natuurlijk werden ze razend. Zij hebben hem omvergetrokken en geschopt met zijn tienen, twintigen, met Jenny erbij, totdat ze moe waren. Dan zijn de Witte Brigade-mannen uit de poort gekomen en hebben hem binnengesleurd en dan naar het hospitaal gebracht, met een gescheurde long en zijn milt kapot natuurlijk omdat er daar een rib in gespietst is.

En nu is 't mijn gedacht, Mijnheer Seynaeve, ge gaat me zeggen wat dat ge ervan peinst, dat hij als ze hem gevraagd hebben: ''Zijt ge nu content?" dat hij eigenlijk ''Nee" wilde zeggen lijk of dat zij wilden dat hij zou antwoorden, maar dat, omdat hij de laatste tijd in Griekenland zat, voor en na Afrika, dat hij in zijn zenuwen geantwoord heeft op zijn Grieks, dat wil zeggen het contrarie van bij ons, al knikkende. Want hij was zot van Griekenland, hij heeft mij nog foto's meegebracht van de landschappen en de rotsgebergten daar. Wat is uw gedacht daarover, Mijnheer Seynaeve?'

==

Omdat het uitstapje van Louis en Papa naar Walle gesignaleerd was door de juniores van Bastegem Excelsior die ook het station controleerden, zei de veldwachter, die dit trouw kwam overbrieven, dat Papa nu zeker het dorp moest verlaten. 'Ge moogt ze geen excuus geven om hier alles kort en klein te komen slaan. En ge moet ook een klein beetje aan mijn verantwoordelijkheid als veldwachter denken.'

Papa wou niet weg. 'Ik kan hier die vier vrouwen niet alleen laten.'

'Louis is er toch,' zei Mama.

'Ik weet het wel, maar... Moet ik nu serieus op den dool?'

Er werd besloten dat hij bij Jules de timmerman zou gaan wonen, ja, op het kamertje dat waarschijnlijk nog rook naar de zalf van het etterend gezicht.

'Van het een gevang naar het andere,' zei Papa.

'Niet overdrijven, Staf!'

'Nu dat ik het hier gewend begon te worden.'

'Staf, denk aan uw kameraden in de 'Flandria'.'

'Ge hebt gelijk, Constance,' zei Papa verstrooid en nam een stapel Lord Listers en Nick Carters onder de arm.

'Louis, ge moogt het aan niemand zeggen waar dat ik ben, al moesten zij uw tong uittrekken.'

'Hoe kan ik iets zeggen als mijn tong uitgetrokken is?'

De voornaamste tussenpersoon en bode werd Tante Angelique, de zwangere vrouw van Nonkel Armand die veel kwalijke toespelingen moest horen over de manier waarop dat kind of half kind in de gevangenis verwekt werd. Elke keer bloosde ze heftig en zei: 'Het heeft veel geld gekost.'

Zij meldde dat Papa veel manille speelde met de timmerman, dat hij de proefpers daar op punt gezet had, dat het voor Papa wat ongemakkelijk was als hij naar het gemak moest, omdat de timmerman er meestal op zat, dat Mama de brochure van de operette 'De lustige Boer' moest proberen te vinden tussen zijn papieren, 'enfin hij klaagt niet, Constance, het is iets anders dan mijn Armand, mensen toch, wat zijn mannen kleinzerig! Armand doet niets anders dan klagen.'

'Het is teken dat hij er reden toe heeft,' zei Meerke vinnig.

'Als ge niets misdaan hebt en ge wordt vervolgd, dan zijt ge gevoeliger dan als ge wel schuldig zijt,' zei Tante Violet.

'Hij is goed geweest voor de mensen, dat heeft hij misdaan,' zei Mama.

Tante Angelique schurkte haar buik tegen de rand van de tafel, het kind voelde de bewegingen. 'Hi, Lew,' zei het kind en knipoogde.

'Armand heeft een briefje gehad van zijn vroegere chef Van Belleghem, met alleen maar: ''Armand, peinst op uw kindjes!" De Directeur riep mij: ''Madame," zegt hij, ''is dat geen geheimschrift? Wil dat zeggen: Armand, denk aan bepaalde sommen geld of staven goud die verborgen zijn? Ge hebt er alle belang bij om het ons te zeggen, of liever aan mij te zeggen want hij zou lelijk in de penarie kunnen geraken, zijn zaak die normaal volgende maand moet voorkomen zou een jaartje achteruitgeschoven kunnen worden, zeg het mij maar gerust, dat blijft strikt onder ons drieen." Ik zeg: ''Mijnheer de Directeur, ik weet van niks, maar ik ga proberen van het uit te vissen." En ik heb geen oog toegedaan, ik dacht aan die kindjes, zou Armand met het losbandig leven dat hij geleid heeft, het woord is niet te sterk, kinderen hebben? Achter mijn rug ergens een huishouden hebben met kindjes? Het mansvolk is leep en achterbaks, maar 't was iets anders.'

'Het is wat de supporters achter de goal roepen als Armand keeper is in 't gevang!' riep Louis. 'Let op uw kindjes!'

'Nee. Het is wat ze zeiden als ze aan 't kaarten waren, Van Belleghem en hij, op Economische Zaken. De een zei dat tot de andere bij het whisten.'

'Een jaartje opgeschoven!' zei Meerke.

'Doe dan iets voor de mensen!' zei Tante Violet.

'Ondankbaar Belgie!' zei Mama met, zonderling genoeg, iets van Peters dode stem.

'De landbouw opgedreven,' zei Tante Violet als tot haar klas van vroeger. 'Alle akkers in het land maximum rendement doen geven. Gezorgd voor de invoer van graan. Tegengehouden dat de Duitsers alles opeisten en meesleepten. Konden ze anders dan de zwarte handel tegenhouden met de harde hand? Toen de Duitsers weg waren had alleman hier te eten, al was het niet veel, kijk eens naar Holland waar ze schoenzolen aten.

''Stank voor dank," zegt Armand. Ik zeg: ''Jongen, vergeet het."' 'Nooit!" zegt hij, ''zolang dat ik leef ga ik de Belgische staat koeioneren met alle middelen tot mijn beschikking!"'

'Tot zijn beschikking,' zei Louis, 'wat heeft hij tot zijn beschikking?'

'Hij is in de Administratie geweest, in Economische Zaken, hij kent daar al de draadjes en de wieltjes van. ''Het is genoeg dat ik mijn burgerrechten terugkrijg en ook maar een klein postje krijg aan de staat," zegt hij, ''en ge gaat een keer zien."'

'We gaan zien, we gaan zien,' zei Louis en Hector beaamde, fladderde.

'Armand is altijd gevoelig geweest,' zei Meerke. 'Hij heeft dat van mij. En ik heb het van mijn Nonkel Theo.'

==

De zonnewijzer toonde het uur aan van de middag, de zon stond juist in het zuiden, de schaduw van de staaf viel in de richting van Holst die op de trappen van het bordes zat. Boven zijn hoofd, onder de daklijst schoten zwaluwen over en weer.

'Hij heeft al aan zijn charel getrokken vanmorgen,' zei Raf, 'ge ziet het.' En Louis zag het, herkende het, het schuldige zitten staren na het verlies van de ziel, het globaal verlies in een immens woud van verlangen, zoveel weidser en donkerder dan het bos rond het huis van de verdwenen Madame Laura, de met rouw gelauwerde geliefde.

'Zij zitten op mijn hielen,' zei Holst en liet hen binnen. De juniores van Bastegem Excelsior waren weggetrokken, maar de veldwachter had hem gewaarschuwd dat hij zich binnenkort zou moeten melden bij de krijgsauditeur, het bevel was onderweg. De dubbelloop stond achter de deur, trouw glimmend. Zij dronken wijn uit kelken die met laurierblaadjes in bladgoud versierd waren.

'Er zijn nog kelders vol,' zei Holst. 'Waar blijft Konrad?'

'Hij zal misschien komen,' zei Raf.

'Misschien! Misschien!'

'Als hij het beloofd heeft zal hij komen.'

'Als hij niet komt, ben ik eraan. Mertens en Morrens hebben een klacht ingediend. Dat ik in de tijd van de landing in Dieppe een Engelse soldaat zou vastgebonden hebben op een van die Franse eilandjes.'

'Dat hebt ge vast en zeker gedaan,' zei Raf.

'Ik ontken het niet. Het staat in mijn dossier en ik heb het ondertekend. In Dieppe zijn vijf Duitse infanteriesoldaten en een Gefreiter door de Engelsen gevangen genomen. Meer dan een half uur hebben zij op de grond gelegen met hun polsen vastgebonden op hun rug, in hun hemd. Ze lagen met koorden aan mekaar vast, zodat ze hun tunieken niet meer konden aantrekken. Voor een Duitse soldaat is dat het ergste, dat gaat tegen zijn militair eergevoel in. En daarom is het dat zij zijn beginnen zingen ''Denn wir fahren gegen England" en daarom is het dat de Engelsen nerveus geworden zijn en dat ze die Duitsers met bajonetten hebben afgemaakt. En daarom is het dat onze leiding gezegd heeft: ''Mannen, als ge nog een Engelsman gevangen neemt, houden we ons niet meer aan de conventies en..."'

'...snijden wij zijn strot door,' zei Louis. 'Oog om oog.'

'Nee. Nee. ''Slaan we een koord rond zijn handen en voeten." En dat heb ik gedaan.'

'Wat deed ge daar in Dieppe, Holst?'

Holst haalde zijn schouders op, schonk in. Santenay, Domaine des Hautes Cornieres. Smaakte naar amandelen.

'Waar blijft Konrad?'

Konrad was aan het studeren, zei Raf, in Kappel in Zwitserland waar Zwingli gesneuveld is. Zodanig aan het studeren dat hij Raf na twee weken weggestuurd had, met zijn tweeen in het appartement kon hij zich niet concentreren.

'De vraag is, waar blijft Madame Laura?' zei Louis. Zijn gezicht gloeide van de Santenay, hij proefde amandelen en aardbeien tegelijk en werd de krijgsauditeur Wallaert van Outryve en Lord Lister tegelijk en snauwde: 'Waar?'

'Zij moet hier ergens in een kast zitten,' zei Raf.

'Hoe?'

'Zitten?' vroeg Holst.

'Of staan of liggen. Supposons,' zei Raf. (Therese tegen Nonkel Omer!) 'Zij doet de grote zware kast open in haar slaapkamer of in een van de andere kamers, zij kijkt in de spiegel van de binnenkant van de deur, zij kijkt of haar pruik goed zit en wat ziet ze? Op haar combinaison ziet ze een vlek, we houden ons nu niet bezig met welk soort vlek. ''Oei oei oei," roept ze want zo kan ze niet naar haar beschermheer en financier, notaris en minister Baelens, zij trekt haar combinaison uit, maar omdat gij, Holst, in geen weken de was gedaan hebt, dat is bekend, dat staat genoteerd, zoekt ze in een hoopje ondergoed diep van onder in de kast naar een andere combinaison, de deur valt toe achter haar, in het slot, zij kan er niet meer uit, ze bonkt, ze roept twee dagen lang...'

'En waar was ik?'

'Dat moet ik nog uitvissen.'

'Ik dacht dat alles genoteerd werd?' Het getaande boswachtersgezicht van hout met sepia kerven was slim, aandachtig.

'Misschien dat ge thuis waart.'

'Misschien, misschien!'

'Ge laat haar roepen, zij ligt daar in haar eigen uitwerpselen, de houtwormen komen uit de kast, wandelen over haar kleren.'

'En sterven in haar beloofde land,' riep Louis verhit.

'Zij heeft nooit een pruik gedragen,' zei Holst.

'Natuurlijk wel. Zij een pruik en gij een breukband!'

De reus ging naar het aanrecht en begon met staalwol een pannetje met restjes van aangekoekte, verbrande bonen te schrobben.

'Wij mogen toch een keer lachen,' zei Raf. 'Nee? Trek het u niet aan. Ik ga zorgen dat Konrad komt. Allee, Holst, niet neuten, niet trunten. Wij mogen toch een keer lachen.'

'Hoe is het met zijn aangezicht?' vroeg Holst onwillig.

'Een mirakel lijk dat het allemaal schoon weggetrokken is en blijft wegtrekken. Hij ziet er soms uit lijk Robert Telloor in De dame met de Kamelen.'

==

'Ik zou nog eens moeten komen om die oude planken en die rommel achter de haag te verbranden.'

'Er is geen haast bij,' zei Michele.

'Nee. Ik heb ook nog veel te doen.'

'Maar als ge tijd hebt...'

'Wanneer?'

'Als ge tijd hebt.'

Michele was bruinverbrand. Zij was met Therese naar de zee geweest, zei zij. Op het appartement van haar schoonmoeder in Knokke, om haar verjaardag te vieren. Renetje had een kabouter gemaakt van klei maar het kon ook een paddestoel zijn, het was in ieder geval rood met oogjes. Louis durfde nauwelijks naar Michele's lippen te kijken, het spiegelbeeld een kwartslag omgedraaid van de uitstulpende van traan lekkende tweede mond die zij nu onder een plisse jurk droeg. Ook niet naar haar puntige borsten.

'In Gent spelen ze Hollywood Canteen met de Andrews Sisters,' zei hij.

'Ik heb het al gezien, o, maanden geleden.'

'Peinst ge soms op mij?'

'Niet alle dagen.'

'Wanneer mag ik komen om die boel te verbranden?'

Zij moest nadenken. Woensdag ging niet, want dan kwam haar werkster, de dag daarop was het vergadering van het Davidsfonds, in het weekend ging ze weer naar Knokke, dat had ze beloofd.

'In de loop van volgende week. Op het einde van volgende week.'

'Als ik kan,' zei hij lamlendig.

Zij groette pastoor Mertens die langs kwam en zijn voorhoofd fronste. 'Ik moet naar huis,' zei Michele toen, 'ik verwacht een telefoon.' Zij sprong op haar fiets, plette de rekbare perzikpruim tot pulp tegen het zadel.

'Au revoir, mon petit prince.'

'Au revoir.' (Matras, matras.)

==

Louis klampte een postbode aan op de Koornmarkt, waar de tram was gestopt. Hij verstond het vettig en ingeslikt dialect niet, maar de postbode wees, de Gebroeders Milbaustraat was vlakbij, links, 'zuust teegnoover de Kattedrolle'. Hij dwaalde langs het beeld van de Gebroeders van Eyck, het Gerard de Duivelsteen, de Kathedraal waar zich het Lam Gods van de ansichtkaarten moest bevinden en belde aan tijdens het gebeier van de klokken. Een smalle bebrilde man die net naar de wc geweest was, want je hoorde het ruisen van de spoeling, gaf hem een klamme hand.

'De notaris is er niet,' zei hij en ging voor, in een gang die met vaalgroene zijden bespannen was in de tijd van Keizerin Maria-Theresia die de Jezuietenorde verboden heeft, of in de tijd van veldheer Belisarius die als bedelaar gestorven is.

In de notariskamer met wandhoge ladenkasten, dossierkasten, ging Vlieghes vader achter het bureau zitten, duidelijk niet zijn gewone plaats. Het bureau was leeg. Alleen een marmeren inktstel zonder inkt en een vloeiblok. Mussolini's bureau was ook altijd leeg, waar veel dossiers en papieren liggen wordt niet gewerkt. De beiaard speelde: 'Zeg, kwezelke, wilde gij dansen?' De donkergroene ruitjes van het raam wierpen een onwezenlijk licht op Vlieghes vader, de man in de notaris zijn stoel.

'De notaris is naar Normandie,' zei hij. 'Ge ziet er precies uit zoals mijn zoon u dikwijls beschreven heeft. Ge ziet er een eerlijke jongen uit.'

'Nogal,' zei Louis.

'Ga zitten. Ik heb u geschreven...' (Op het papier van de notaris. 'Geachte jongeheer, Voor een zaak van persoonlijke en belangrijke aard zou ik u graag op het kantoor van Notaris Montjoie ontmoeten in de middaguren. Adhemar Vlieghe, secretaris.' En Louis had het stompzinnig idee gekoesterd dat men de schat van het kasteel in Aisne eindelijk na eeuwen onder de erfgenamen zou verdelen en dat hij voor Johan Daisne werd gehouden door die ene usurpatie bij Djeedie.)

'Ik wilde u eerst per brief de dood van Gerard melden. Maar ik voelde mij verplicht om het u persoonlijk te zeggen, hoeveel pijn het mij ook zou doen. Maar ge ziet er mij een eerlijke jongen uit en daarom...'

'Dood,' zei Louis.

'Ja,' zei de vader. Tijdens zijn leven is Vlieghe niet groter geworden dan deze man, die voor de oorlog, tijdens de oorlog, zelf notaris was.

'Ik zou u koffie aanbieden, maar de keuken is afgesloten, de notaris is in Normandie aan het zeilen. Limonade misschien in het bureau van Gisele...'

'Dank u. Hij is dood?' (In het Jeugdbataljon, Grenadierdivision 'Langemarck' aan de Oder? Als Flak-helper bij een afweergeschutkanon tot op het allerlaatst? Wanneer? Al die tijd als een vermorzelde vlieg. Andere vleesetende vliegen azen op hem. Ik heb in geen maanden aan hem gedacht. 'Niet alle dagen.' Toen de Duitsers en de Oekrainers in Wehrmachtsuniform wegtrokken met beddengoed en huisraad op de affuiten, dacht ik dat hij er tussen zou zitten. Als ik een meisje was zou ik nu in tranen uitbarsten. Zakdoekje, snot, troost.)

De man trok een moeilijk schuivende lade in het bureau open, haalde een blad briefpapier met het briefhoofd van Notaris Montjoie te voorschijn en tekende er mechanisch een rijtje klaverbladachtige bloemetjes op.

'Ik maak mezelf wijs dat hij, niettegenstaande alles, een vreedzame snelle dood gehad heeft.' Zijn adamsappel ging op en neer boven de sjofele, te wijde hemdsboord, de brillenglazen werden doffer. 'Hij vroeg me, de ochtend van zijn sterfdag, om u een brief te geven, die heb ik hier.' Hij tilde een bil op en vond in zijn achterzak een lichtblauwe envelop met airmail in rode letters. Louis zag zijn naam in forse kapitalen. De Y had een gave ronde krul onderaan, als een vleeshaakje.

De man poetste zijn brillenglazen met zijn zakdoek, de versmalde ogen hadden okeren wallen. 'Al zijn leraars waren het erover eens dat hij veel beloofde.'

'Ik wist hier niets van, niets,' zei Louis. 'Had ik het geweten...'

'Hij is elf dagen geleden begraven.'

'Dan was ik zeker gekomen.'

'Voor zijn dood?'

'Ervoor, erna.' (Niet: tijdens.)

'Wij zullen het nooit te weten komen wat wij moeten doen, wij opvoeders. Wij weten het pas als het te laat is. Zijt ge streng, het is niet goed. Zijt ge laks, het is niet goed. Ge denkt: ''Als ik maar de schade kan beperken..." Hij had uw ouderdom.'

'Zeg, kwezelke, wilde gij dansen!' De vetplant onder het schilderij met koeien die door de Leie of de Schelde waadden kreeg niet genoeg of te veel water. Het water druppelde in de verwarmingsbuizen, als de dwerg Gustav Vierbucher in Mecklenburg die moeilijk plaste.

'Hij heeft tot op de laatste dag op zijn banjo gespeeld. En ik nog zeggen: ''Schei in godsnaam uit!"'

'Hoe is hij gestorven? Waaraan? Waardoor?'

'Hij heeft zelfmoord gepleegd,' zei Vlieghe Senior, strak als politie.

'Op uw ouderdom, Louis,' zei hij stilletjes.

Wat moet die slonzige man van mij? Waarom spreekt hij tegen mij als tegen een gelijke, iemand die net als hij satanisch koud kan spreken over hem, Vlieghe, rossige Vlieghe die ik vroeger 'mijn liefde' noemde, ik weet het nog heel goed?

De man stond op, ging weg. Ondertussen lag Vlieghe voor de voordeur van het Gesticht, een dampende revolver in de hand. Zuster Adam zei: 'Hij ligt hier te bevriezen, kom, Louis, help me.' Getweeen sleurden zij de ruggengraatloze jongen tot bij de grot van Bernadette Soubirous. De Heilige Maagd in haar afschilferende blauwe mantel met gouden sterren zei: 'Apostel Petrus, hete tranen zult gij plengen!'

Tussen de brandende natte spleten van zijn ogen zag Louis Vlieghes vader binnenkomen met een bultige namaakleren schooltas, hij trok er een grijze, wollige prop uit die een trui werd, met aan de halsopening een rijtje ingebreide Ar-runes, Ar is zon. Arier. Ar-beid: buit van de zon. De Ar-spreuk is: 'Eer het licht.'

Louis legde de trui traag op zijn knieen.

'Zijn moeder heeft die trui gebreid. Zij zal het nooit te boven komen. Zij moet zich nu helemaal aan Ward wijden, die gelukkig nog te jong is om te beseffen wat er met zijn broer gebeurd is.'

'Zeg kwezelke, wilde gij dansen?' Hoe lang nog! Houdt dat nooit op?

'Het is de schuld van de priesters!' riep Mijnheer Vlieghe plots schel. 'Daarom heb ik u geschreven om naar hier te komen. Omdat ik niet wil dat er ook nog maar een kind het slachtoffer wordt van de priesters.'

Hij tekende vliegensvlug een rijtje bloempjes.

'Gerard is een keer en geen twee keer naar een vrouw van slecht allooi geweest. Een keer en geen twee keer. En bij die vrouw heeft hij die ziekte opgedaan die de priesters de vrouwenziekte noemen.'

'Heeft hij zich daarom...?'

Mijnheer Vlieghe knikte.

'Daar zijn remedies voor, men kan in zo'n geval tussenkomen voor het te laat is, het is een ziekte als een andere, maar onze jongen, onze jongen moet dat niet geweten hebben! Wie weet wat de priesters hem ingeblazen hebben? Hersenverweking, aangetast ruggenmerg of wie weet wat?'

==

Verdoofd liep Louis op de Graslei langs de oude-antiek-nepgevels van een wereldtentoonstelling, langs het nepgotische Postgebouw. Verdoofd door het schellen van de trams, het autogetoeter, de winkelende mensen en de treiterig trage stem van Vlieghes vader. Ineens schoot het hem te binnen dat de trui die hij tussen oksel en elleboog klemde misschien afkomstig was uit het huis van ontucht waar Vlieghe gekruisigd werd door de Vrouw-van-slecht-Allooi, nee, nog waarschijnlijker was het de vrouw van een zwarte geweest, een van die zusters, moeders, dochters van een gevangen zwarte die uit weerwraak krijgsauditeurs en politiecommissarissen besmette en van de weeromstuit die gluiperd van een Vlieghe die mij zijn erfenis wil doorgeven, die vanuit zijn kist in de modder nog naar mij klauwt en langs deze trui zijn pest verspreidt, de wol met de Ar-runes zat vol met Miezers, wriemelende onzichtbaar vreterige bacillen. Met een snauwerig kreetje gooide Louis de trui in de goot, trapte, stampte er op met beide voeten, zette het op een draf, vertraagde, bedaarde bij het standbeeld van Lieven Bauwens, uitvinder van het weefgetouw.

De langzaam en voorzichtig uitgesproken zinnen van vader Vlieghe doken op. Weg ermee. Hij ritste de airmail-envelop open. De brief had geen kantlijn. Zuinige Vlieghe met het vosrode haar.

'Vriend Louis, met deze woorden spreek ik uit het graf tot u die mij in de steek gelaten hebt in de tijd van mijn leven. Maar dat neem ik u niet kwalijk, want gij moogt. Voor de minuten dat ik nog leef kan ik u niets kwalijk nemen. Hebt gij er een gedacht van hoezeer ik u bemind heb? Mij hebt gij daar niet horen over beginnen, nooit, omdat ik vind dat de persoon die bemind wordt dat zelf moet ervaren en herkennen. Zoniet, tant pis, mon cheri. Maar nu moet ik u zeggen hoezeer ik u heb bemind, want wanneer anders? Er is geen anders meer voor mij. Ook geen wanneer meer voor mij. Zo direct begin ik aan de genezing van mijn lichaam. Of de dood van mijn lichaam. Een harde noot om te kraken, dierbare L., maar ik heb vertrouwen. Tenslotte wilde ik toch voor dokter en chirurg studeren. Dat kan ik nu uitproberen. Maar toch vertrouw ik het niet genoeg, niet voldoende. Men weet nooit. In het geval van het herstel van mijn lichaam krijgt gij deze brief niet te lezen. In het andere geval, puntje, puntje, puntje. In het andere geval ben ik niet meer op deze aarde. Het klinkt dwaas en ik moet er wel om lachen, alhoewel ik geen greintje humor heb, dat hebt gij zelf gezegd jaren geleden in de refter. Maar ik ga niet langer zeveren. Ik dacht dat Vlaanderens heropstanding, zelfs onder de Duitse matrak, mijn ideaal zou geweest zijn, maar in mijn laatste minuutjes, puntje puntje puntje weet ik het niet meer. Levet Scone, dierbare makker, uw Vliegje. P.S. Ik steek onze amulet in mijn mond dat ik er op kan bijten als het te erg wordt. Weet ge nog, onze amulet, Apostel Petrus? Moge onze amulet mij bijstaan zodat ik deze brief nooit moet verzenden, zodat geen haan er naar kraait. Uw Vliegje.'

Louis liep langs het Steen van Gerard de Duivel, het gebouw van het bisdom, de Leie of de Schelde of een kanaal waar een kapotte boot in lag. De snippers van de brief daalden over de geteerde planken. Te laat. Nooit geweten. Ik schreef naar de dode Maurice, de dode Vlieghe schrijft naar mij. Dit zinneloos herkauwen, dit verdriet om iets dat er niet was, aangezien dat ik niet wist dat het er was. Nu is het er.

De kwalijk riekende stem van de vader tastte, voelde, keerde terug als een tong naar een schrijnende kies. De sirenes van een fabriek. Maar die verwaten kleffe stem vol trage rechtvaardigheid tegenover het onrecht hem eerder aangedaan dan zijn kind, maalde door. Vlieghe in het neogotisch torengebouwtje van onze kindertijd voorafgegaan door een van de zeven wijze maagden in habijt met haar schep gloeiende kolen voor zich, loopt door de namaakmarmeren gangen. Hij is er altijd geweest, ik weet niet hoe hij zich ooit uit de naamloze kudde van de kleintjes heeft losgemaakt, ontbolsterd heeft tot een Vlieghe met een naam en vaak-zand-klaas-vaak in een paar amberen ogen, met een lopende neus en zeepsop in het haar en dan, toen al, met een molensteen rond zijn nek.

Terwijl al die tijd de dubbelstem van de vader ver weg als een slecht afgestemde Radio Londen en dichtbij als adem zegt dat Gerard een scheermes heeft genomen dat aan zijn grootvader heeft toebehoord en een snee in zijn scrotum heeft gegeven, hij die voor dokter wilde studeren, en de testikelen wilde laten vallen maar dat lukte niet, katoendraad in jodium heeft gedrenkt en het afgebonden, dat besmette deel van het onderste deel, en toen heeft doorgesneden, en de testikelen nog in het toilet heeft doorgespoeld, 'waar anders? Zij waren niet te vinden, en toen is hij blijven liggen tot het einde, Louis, het einde dat milder is gekomen dan men zou veronderstellen want volgens onze huisdokter verwekt leegbloeden een bepaalde euforie, hij lag met zijn banjo in zijn armen, meer kan ik u niet zeggen maar minder ook niet, Louis. En met een versleten oude loden bikkel tussen zijn achterste tanden.'

==

'Ik weet niet of gij dat ook gewaar wordt maar ik herken de mensen niet meer. In de oorlog waren ze anders. Hoe anders? Ja, hoe moet ik dat gaan hakkelen? Een zeker ideaal. Ik spreek nu niet over voor of tegen Hitler natuurlijk. Het gedacht dat wij allemaal samen aan een zeel trokken, mekaar hielpen met margarine en eierkolen en af en toe een stukje saucisse. Als ge daaraan iets verdiende, zoveel te beter natuurlijk, maar het ging toch om uw medemens een handje toe te steken, en nu, ik weet het niet, neem Pier de Buis, heel zijn leven een oprechte loodgieter geweest, altijd gereed als er een lek was, en beleefd: ''Als 't er nog iets aan zou mankeren, ge moet maar spreken, Mademoiselle" en nu? Nu heeft hij dat knietje gerepareerd in mijn wc. Hij was nog maar aan het hek of het lekte al weer. Ik vraag hem nu al een week: ''Pier, wanneer mag ik u verwachten?" Wat zegt hij? ''Madame Violet" (terwijl dat hij weet dat het 'Mademoiselle' is), ''ik kan mij niet in vieren delen!"'

==

'O, dat is een schoon hoedje, Angelique!'

''t Is een cloche. Maar het is maar toen ik thuiskwam dat ik zag dat het maar voor de helft gevoerd is. De smeerlappen. Koningin Elisabeth had 't zelfde model aan in De Volksgazet. Maar 't hare zal natuurlijk wel helegans gevoerd zijn.'

'Dat wit staat goed met uw haar.'

'Het is gebroken wit.'

'Nogal rap vuil, zeker?'

'Ik kuis het met aceton... Maar ik was iedere keer goed mijn handen voor ik het opzet.'

'Ge kunt het ook met droog brood kuisen. Ik doe dat altijd met mijn beige hoedje.'

'Wie had dat durven peinzen? Dat wij brood zouden gebruiken voor onze hoedjes?'

==

'Lijk Verbauwen die appartementsgebouwen optrekt, het ene na het andere. 't Is gemakkelijk als uw broer op het Kabinet zit. In de oorlog zou 't niet waar geweest zijn. De Duitsers hadden gezegd: ''Verbauwen, laat een keer uw boekhouding zien. Nee, die niet, die andere die in uwe coffre-fort onder uw bed ligt. Wat zien we hier? Aandeelhouder madame Louise Schellekes, de vrouw van uw broer? Allee, naar 't arbeidskamp voor een paar jaar!"'

==

'Gisteren moest ik mijn tram halen, en ik koop in de haast een pronostiek en Het Volk. Ik kom thuis, ik zet mij bij de stoof ik sla Het Volk open, zij hebben mij toch miljaardedju de gazet van eergisteren in mijn handen geduwd. Vanmorgen ga ik terug. ''Ah, nee, Mijnheer," zegt hij, ''ik weet van niks. Iedereen kan zo wel de gazet uitlezen en 's anderendaags komen weerbrengen."'

==

'De joden kruipen weer samen. Zij gaan lelijk doen. En zij hebben groot gelijk. Hoe zoudt ge zelf zijn als u dat aangedaan werd? En op zo'n schaal! Nu slaat de schaal van de weegschaal terug, dat is maar rechtvaardig. Zij gaan zich wreken op iedereen die niet joods is, hoe zoudt ge zelf zijn? Het is nu aan hun toer om hun ras te beveiligen, en daarvoor moet ge de anderen een kloot aftrekken, het is normaal. Het kan niet gelijk opgaan in de wereld. Het zou te schoon zijn.'

==

'Maar Madame Laura, droeg zij nu een pruik of niet?'

'Ik heb ze nooit van dichtbij gezien.'

'Ik wel. En 't was mensenhaar.'

'Maar een pruik is toch ook van mensenhaar.'

'Volgens mij was 't een pruik. Omdat ze te lui was om naar de coiffeur te gaan. Ge zet zo'n ding op, ni vu ni connu, en ge zijt gereed en altijd proper.'

'En Holst, die jongen, nog altijd alleen in dat huis met tweeentachtig deuren.'

==

'Gaat ge gaan stemmen?'

'Ik moet wel als Belg. Anders is het tweehonderd frank boete.'

'Ik stem voor de eerste keer van mijn leven voor de socialisten. Omdat Van Acker de jongens die naar Duitsland zijn gaan werken, niet wil vervolgen. Ik weet wel dat hij dat doet omdat hem dat een paar honderdduizend kiezers opbrengt, maar het is de geste die telt.'

'Ik weet niet voor wie. Ofwel moet ge voor gasten stemmen die ge niet kent, die zeggen dat ze schoon vaderlands werk gedaan hebben in het donker van de oorlog, dus een gewone mens heeft daar niets van gewaar geworden van dat vaderlands werk onder de grond, ofwel kent ge ze van voor Veertig en zijn 't al die gasten die weggekoerst zijn naar Londen met hun broek vol. En als zij het niet zijn, is het hun nonkel of hun schoonbroer.'

'Dat verschil in kleurtjes, dat is zand in de ogen van de gewone burger. Zij hangen allemaal aan mekaar vast. Syndicaat, delegaat, actionnair, militair. Om gazetten te verkopen, geven ze die gazetten ook een kleurtje maar 't is allemaal van tevoren gedicteerd en gearrangeerd. Wij verschuiven een beetje naar links en dan een beetje naar rechts, een tango, en ondertussen steken we onze paraplu uit.'

'Hoe dat dat nog allemaal samen en thope blijft hangen, hoe dat dat niet uit mekaar klakt en kwakt!'

'Omdat ze aan mekaar plakken. Eene grote stront, Florimond. Gij moogt zoveel vingers in de kassa steken en geen vinger meer of ik steek u een dolk in de rug. Wel, 't is goed, ik ga mijn ogen toedoen binst dat gij uw vingers in de kassa steekt. Ai, ge steekt mij toch in de rug. Ah, ge moet maar zo slim zijn om uwe rug niet naar mij te draaien.'

==

'En die radio tegenwoordig. Hoe dat ze daar in de radio hun voeten vagen aan de luisteraar! Gedurende de oorlog begon een plaat zachtjes, op 't gemak, perfect. Nu smijten ze met die platen. Ze krassen, ze blijven draaien op 't zelfde punt, ze stoppen midden in een schone passage...'

==

'Onze koning blijft wachten om naar huis te komen.'

'Hij wacht tot de kust vrij is, lijk dat de zeerovers zeggen.'

'Hij gaat voor de ogen van het volk zijn broer de Regent een kusje geven op zijn kaken, links en rechts, en hem dan een ferme schop in zijn gat geven.'

'Er plakt te veel bloed aan zijn handen, van de Regent.'

'En zijn handen stonden al konteverkeerd van aan 't slecht vrouwvolk in de bars van Oostende te prutsen.'

'Ja, zij konden zijn pen niet meer vasthouden om een genadeverzoek te ondertekenen.'

'Die mens was benauwd om verkeerd te doen.'

'Wie? Charles Theodore Henri Antoine Meinard, griezel van een Graaf van Vlaanderen? Te luizelui ja, te poepeloerezat!'

'Het is normaal. Die mens heeft heel zijn leven gehoord: ''O, Leopold, o Majesteit, o Sire, o koning Leopold de Derde!" en ''Charles, wie is dat? O ja, zijn broer!" Dus, nu dat hij zelf koning mag spelen als regent wil hij een beetje meester spelen over leven en dood, het is normaal.'

'Dan is 't ook normaal dat de doden gaan opstaan uit hun graf en hem om rekenschap komen vragen. Anders is 't niet mogelijk. Anders heerst er alleen maar een Antichrist op aarde.'

==

'Ik kom Goeminne tegen. Het is te zeggen, hij passeerde mij in een splinternieuwe Buick. 'k Zeg: ''De zaken gaan goed, Maurice. Zo'n voiture voor een metselaar!" "Pardon," zegt hij. ''Alle herstellingswerken!"

Wij discuteren een beetje en hij vertelt over een terrasje dat hij moest repareren, het regende er door... Terwijl dat hij met zijn brander bezig was zag hij dat die mensen in hun slaapkamer drie vier schilderijen hadden hangen en Chinese poteries hadden staan, enfin dat zij veel beter bemiddeld waren dan hij had gedacht. ''Ik ben op 't dak gekropen," zei hij, ''en ik heb daar de dakbedekking een snee of vier vijf gegeven met mijn mes. 'k Zeg tegen die Madame: "Madame, uw terras lekt, dat is juist, maar dat komt van uw goot." "Ah," zegt ze, "dan moet dat ook gerepareerd worden." Ik heb er een paar lapjes op gelegd voor vijftig frank en zij heeft daarvoor zevenhonderdvijftig frank gelammerd. Als zij schilderijen in hun slaapkamer hebben, moeten ze ervoor bloeden."

Ik zeg: ''Goeminne, er zijn mensen die de planken van hun kist niet waard zijn." Hij zegt: ''Is 't over mij dat ge 't hebt?" Ik zeg: ''Ik spreek in het algemeen. Wie 't schoentje past."'

==

'Wij zitten gewrongen tussen de Amerikanen en de Russen. Maar als ge 't van een beetje afstand wilt zien, zijn ze toch juist hetzelfde. Alle twee stekezot van de techniek die hun boven het hoofd groeit en tegelijk van de organisatie die de mensen allemaal gelijk maakt, zonder zijn wortels.'

'Wij hebben genoeg wortels gegeten binst de oorlog.'

'En de Russen hebben nooit de Renaissance gekend!'

==

Er hingen affiches voor een komend folkloristisch feest. De garnalenvissers die te paard hun netten voortsleepten waren getekend door Dolf Zeebroeck, in de sliertige onheilzwangere lucht waren gotische letters verwerkt: 'Onze vissers, de ridders van de zee!'

Leevaert en zijn assistent Louis zaten naast elkaar op een bank, voor hun voeten lag het strand. Met bedaarde kreetjes en getuf voeren de vissersboten binnen vanuit de melkige zee. Achter hun bank reden twee dames gearmd op rolschaatsen. Het licht op de golven: zilverpapier.

Leevaert had vandaag eenmaal de verzamelde werken in vier delen van Ruusbroeck verkocht, eenmaal de Encyclopedie voor de Werktuigkundige en driemaal Jenny, een Noodlot waarvan twee exemplaren met handtekening en opdracht, dat betekende veertig frank extra.

Louis had de zware leergebonden proefexemplaren van het halve fonds gesjouwd. Hij had Tante Violet beloofd om verse garnalen uit Oostende mee te brengen, hij vroeg zich af wanneer hij het kon doen, ze moesten nog drie adressen bezoeken, waarvan een gegarandeerd inciviek was, hij kon er niet met naar garnaal ruikende handen binnenkomen, want hij zou het pakje garnalen niet ongemoeid kunnen laten. En het werd donker.

Voornamelijk Frans gebabbel op de dijk. De mailboot voer binnen, lichtjes al aan. Leevaert stond op, maakte een paar turnbewegingen. 'Aan de slag.'

'Mevrouw,' zei Leevaert, 'wij komen met de hartelijkste groeten van Dokter Raemdonk (of Notaris, of Kanunnik, of Meester of Professor) die u zijn hommages doet par personne interposee' (of indien het een duidelijk Vlaamsvoelend gezin betrof: 'langs mijn bescheiden persoon'). Dan volgden complimenten over het modern maar toch klassiek interieur in een gekuiste taal met een zweempje kustdialect. Meneer was gewoonlijk niet thuis. 'Louis, toon aan Mevrouw eens De School van Sint-Martens-Latem. Zet dat boek eens alleen maar voor 't effect op die etagere daar. Mevrouw, die rug alleen al, in kalfsleer, kost honderdtachtig frank.' Of: 'De Geschiedenis van het Westen door een team van professoren onder leiding van Professor Weynants, waar dat ge toch van gehoord moet hebben, van de universiteit van Leuven. Uitverkocht. Sommige losse delen alleen nog bij antiquaars voor schandelijke prijzen. En machtig interessant. Ge leest er in als in een roman. En hoe dikwijls denkt ge niet: ''Maar die veldslag in Poelkapelle, het is hier op een boogscheut afstand, wanneer was dat ook weer? Welke generaal is daar verongelukt?"'

Toen was het echt donker. Leevaert had nog een Jenny, een Noodlot kunnen plaatsen. De koper had gezegd: 'Ach, ja, zet er maar een handtekening in,' en: 'Ik doe het omdat ik solidair ben, ge verstaat me, meer zeg ik niet.'

Leevaert stevende nu resoluut naar een laan met zijstraatjes vol roodverlichte bars. Hij bleef ineens staan bij een schaars door een lantaarn verlichte, zwartglimmende uitstalkast met foto's van vrouwen in ondergoed. Louis bleef op een paar meter afstand van hem. Leevaert boog zich voorover, likte bijna het glas. Louis kronkelde van schaamte. Matrozen liepen langs en zongen 'Heigho, heigho', het kabouterlied. Het licht in de uitstalkast floepte aan, wijnrode letters 'L'Escale' schenen over Leevaert, die 'Aha' riep, zijn bril opzette en zich nog verder vooroverboog.

'Wij gaan maar om tien uur open, maat,' zei een zware man die zijn portierspet droeg als de kepie van een Zwarte Brigade-officier.

'Maat,' zei Leevaert, 'dat was toch hier dat Chouchou vroeger zat, Mieke Lauwers?'

'Dat moet voor mijn tijd geweest zijn,' zei de portier.

'Ik zie haar ook niet meer bij de portretten.'

'Ge kunt geen staat meer maken op de meisjes tegenwoordig, meneer. Maar het is misschien beter zo. Zo krijgt ge altijd vers vlees binnen.'

De bar 'Orient' was een miniatuurmoskee met ronde raampjes die rozig gloeiden achter gedraaide smeedijzeren tralies. Leevaert stapte binnen als in een kruidenierswinkel. Zo zou ik het nooit durven. 'Bonsoir, mon petit chou,' zei Leevaert en kuste de gepoederde wang van een platinablonde forse dame in een avondjurk. Louis nam haar eeltige hand en kuste de palm.

'Olala, een man van de wereld,' riep ze. Op een podium stond een piano, op de dichte klep lag Marnix de Puydt op zijn voorarm te slapen met zijn kinderlijk dikke lippen open. Autolichten flitsten door de bar.

'Le maitre dort,' zei de dame.

'Twee coupes,' zei Leevaert. 'En voor u, Margot?'

'Ik ga een Cointreautje nemen,' zei Margot.

'Dat heeft nog nooit iemand zeer gedaan,' zei Leevaert. Drie industrielen legden uit aan twee Oostendse meisjes die verkleed waren als Oostenrijkse of Tiroolse boerinnen dat ofwel Champs Elysees ofwel Narcissus Vijf of de wonderknol Clopinette zou winnen morgen. De champagne parelde. De slapende De Puydt zette zijn mollige mandarijnenvoetjes in puntschoenen naast elkaar, een punt ging op en neer op de maat van zijn vingers die tegen het deksel pianoteerden, als ooit Holderlin op een klavecimbel zonder snaren. Een van de Oostendse meisjes leek op Prince Valiant met haar afgehakte vlassen kapsel en een halsketting van koperen munten. Zij zat op de schoot van de Champs Elysees-man die kneep, kietelde, tastte, kuste. Zij zei dat het enige wat haar moeder nog in leven hield de hoop op de nieuwe mosselen was, zij waren aangekondigd voor volgende week. 'Laat ons ondertussen van uw mosseltje proeven,' riep Champs Elysees, zij lachte haar roze tong bloot, de munten blikkerden. Louis moest na de derde coupe die hem door Margot aangeboden werd, zeer nodig pissen maar durfde niet. Hij raadde dat het gecapitonneerde deurtje naast de bar het toilet was, maar niemand ging er heen.

De Puydt kwam overeind. 'Wat willen de hetaeren en de heren horen? Mijn repertoire is beperkt maar eclectisch.'

'Mijn Vlaa-aanderen he-eb ik hart'lijk lief,' riep Louis.

'Hou uw manieren,' siste Leevaert.

'Als die jongen dat nu gaarne hoort,' zei Margot met haar hand op Louis' kruis, waar niets verroerde, gelukkig. Als ik opsta en naar het deurtje ren zal ik vlak plat plets naar voren vallen. Als ik dan tegen Prince Valiant aan val, heeft zij geen broekje aan.

Margot vroeg of hij bleef logeren, haar appartement was vlakbij. Of hij bij haar wilde inwonen, alles wat hij hoefde te doen was een paar boodschappen per dag.

Mijn dode Peter zegt: 'Gij zijt geen commercant, Louis.'

'Daar moet ik een nachtje over slapen,' zei hij.

'Bij mij dan,' zei Margot.

'Margot,' zei Louis log, 'ge zijt niet serieus. Ge spreekt over kost en inwoon, maar hoeveel ligt er op 't einde van de maand in mijn handje?'

Het mirakel geschiedde. Zij staarde hem verbluft aan, kreeg een moment van totale afwezigheid, en kuste hem toen op de mond en zei, het wonder van de vurige tongen die boven de schedels van de uitverkorenen ineengloeiden: 'Gij, gij zijt een kleine commercant.'

'Ik zal nu voor u spelen,' zei De Puydt, 'in een voor u aannemelijke gesyncopeerde versie, het Requiem in C van de jongste zoon.' Hij speelde en leek op de vader van Peter, toen die zijn baard er af was. Alhoewel er geen foto's van bestonden. Van die toestand. Stom. Stuitend. Stervend sta je 't best op een foto. 'En nu, om Margot te behagen,' zei De Puydt na wat uren leek, nadat de bar, die gebulkt had van deernen, pillenslikkers, vandalen, ketters, trollen allerlei, leeg was, in een gat van stilte gevallen was met hooguit een houtworm haperend aan Louis' slaapbeen, 'nu speel ik voor haar, van dezelfde jongste zoon, de renegaat die Rooms werd uit hebzucht, het innige Salve Regina in Es.'

Het was innig. Walgelijk innig. 'Speel iets uit "Het land van de Glimlach",' schreeuwde Louis.

'Nee,' zei Margot, 'nee, nee en nog eens nee.' Zij rook naar de zee. Ook toen ze langs de zee liepen, met zijn vieren, gearmd, wankelend. 'Ik ga u gaarne zien, manneke, ge gaat er alles van weten.'

'Waar kan een mens nu een redelijke verfrissing gebruiken?' zei Leevaert. De zee met witte rimpels, schuimkoppen.

'In de "Banco".'

'Als zij daar beleefd zijn,' zei De Puydt.

Uitgelaten bereikten zij het cafe waar de croupiers van het Casino kalfskop in tomatensaus aten.

'De mens wordt weer vet,' zei De Puydt. 'Bezie dat toch. Er is met ons helemaal niets, niets, gebeurd. Wij hebben het ons allemaal ingebeeld. Je voudrais que vous raisonassiez de ce que je vous dis la.' Zijn witgelokt hoofd viel voorover en vond zijn glas.

'Vet of niet, zij moeten mij maar nemen zoals ik ben,' zei Margot. 'Vindt ge niet, Pietje?'

'De Russen staan voor de deur,' zei Leevaert, 'geef mij nog een Pale-Ale.' Vaalbruine draden van uiensoep hingen van zijn mondhoeken. De croupiers speelden poker in paradijselijke kalmte. De asbakken zaten propvol Miezers.

'Zijt ge niet content dat ge me ziet?' vroeg Louis.

'Nee,' zei De Puydt.

'Kent ge mij niet meer, Mijnheer de Puydt?'

De man stak zijn borst vooruit, gooide zijn lokken naar achteren, trommelde met zijn vingers op de tafel, dicht tegen de rand, op witte en zwarte toetsen.

Margot zei: 'Ik ga uw hemd wassen morgen, ik heb een wasmachine,' zij trok aan de punt van Louis' hemdskraag. Koud zweet liep in zijn ogen. Ik heb twee eenogen als paladijnen. Maurice de Potter en Vuile Sef. Pieter de Coninck, deken van de wevers te Brugge, had twee ogen. Dat men hem afschildert als een eenoog komt doordat een Italiaanse domme of bijziende monnik hem verward heeft bij het overschrijven of schrijven van de kronieken met een andere Pieter, Pierre Flotte. Voila. En gij nu!

'Die avond en die rooze vol vlammen in Haarbeke,' zei De Puydt en richtte zich uitsluitend tot Louis.

'Ja,' zei Louis. 'Ja.'

'Die avond lag ik in mijn bed inWalle. Mijn vrouw die nu honderdtien kilo weegt lag naast mij in mijn bed in mijn slaapkamer in Walle, ik lag te lezen in Montaigne en Het Rijk der Vrouw en ik dacht dat ik alleen wilde zijn op aarde, dat ik alleen moest zijn om mijn lamlendige kunst te vrijwaren, om het vunzig vuurtje van mijn kunst te bewaren, alleen en dan, Louis, heb ik gedacht: Als zij naast mij, als zij allemaal in dat huishouden van mij, uit mijn ogen en oren zouden kunnen verdwijnen, o, als zij allemaal in een keer, in een bevrijding konden ontploffen.'

'Allemaal,' zei Louis, vroeg Louis.

'Allemaal, vrouw en kind en meid en kat en kind en geit, dat ik 's morgens alleen, bevrijd, naar de klop van mijn hart kan luisteren, of naar de mussen.'

'Ook de kinderen,' zei Louis.

'Ook,' zei De Puydt. 'Vooral. Vooral de ceremonie van de onschuld. ''God in de hemel," heb ik gezegd, gebeden, ''dat ze in Godsnaam ontploffen alle twee, dat ik een minuutje rust heb, dat ik een keer de vogeltjes kan horen schuifelen."

En hij heeft mij verhoord die avond en de roos is ontsprongen, de roos van het vuur en op dat zelfde moment zijn de bommenwerpers gedaald en zijn ze naar Haarbeke gedoken.'

'Ja,' zei Louis.

'En mijn bloedje in Haarbeke in zijn ledikantje is ontploft en verbrand, met zijn pyjama, zijn maiskoeken van Winterhulp, zijn Dierenatlas, zijn bikkels en zijn knikkers...'

Louis sprong van de bank, duwde de eeltige hand van Margot weg, trok de inerte De Puydt bij zijn lokken overeind, voelde haren knappen en sloeg uit alle macht op de man zijn wang. De klap weerkaatste tegen de spiegelwanden van de 'Banco'.

'Hela, hela,' zei een croupier met smalle schouders.

Een visser in een oranje jek vol schilfers, met walmen sigarettenrook rond zijn hoofd, kwam op wijduitstaande benen nader.

'Maar jongen toch,' zei Margot. De Puydt voelde aan zijn wang, grijnsde, stak de punt van zijn tong in zijn wang die obsceen bultte.

'Hij meent het niet,' riep Leevaert. 'Echt niet.' En zat naast De Puydt, dij aan dij.

'Vergeef mij,' zei Louis (met 'Pardon' al op de lippen toen hij flitsend dacht dat hij een Vlaamse Kop geslagen had).

'Want hij weet niet wat hij doet!' riep Leevaert luider.

'Het spijt mij,' zei Louis. De Puydt dronk Leevaerts Pale-Ale leeg, zijn wang werd rood. Alle croupiers kaartten verder.

'Zijt ge niet beschaamd?' zei Margot. Louis knikte, knabbelde op een bierworstje. De Puydt zei tot de visser: 'In onze tijd betaalde men na een dergelijk misverstand een rondje. Waar of niet?'

'Tournee generale,' riep Louis maar de baas hoorde het niet, of wilde het niet horen of nam het niet ernstig. De Puydt wreef over zijn wang en toen tokkelde zijn mollige hand weer op tafel, partita, chaconne. Hij zei: 'Louis Seynaeve.'

'Ja.'

'Gij kunt niet verdragen dat ik vanuit de diepte naar u roep.'

'Dat is te diep voor mij,' zei Margot, zij ging aan de andere kant van De Puydt zitten, likte zijn wang. 'Ik ga u vanavond gaarne zien, Marnix, ge gaat er alles van weten.'

De Puydt bleef onafgebroken uitdagend naar Louis kijken.

'Ik geef een rondje,' zei de visser, bij hun tafel, 'voor iedereen uitgenomen dat kalf daar.'

Het kalf zei: 'Wat nu, Mijnheer de Puydt? Zeg het.'

'Il faudrait que je cessasse de vivre,' zei de man, tokkelend.

==

Louis en Tante Violet vergeleken de gele reglementaire postkaarten die zij dezelfde ochtend ontvangen hadden van Holst uit de gevangenis De Nieuwe Wandeling in Gent. Bij Louis luidde de tekst: 'Geloof niet alles wat zij allemaal zeggen. A. Holst,' bij Tante Violet: 'Ik zit in de Nieuwe Wandelinge. A. Holst.' Op beide kaarten stonden de twee regels helemaal bovenaan, de letters stonden een zweempje schuiner bij Tante Violet die zei: 'De Wandelinge, is dat nu een naam voor een gevang? Dat is toch om die mensen te plagen, want ze kunnen niet wandelen.'

'Toch wel, Tante. Alle dagen, in een cirkel, handen op de rug.'

'Hij heeft mij altijd gaarne gezien,' zei Tante Violet.

'Iedereen ziet u gaarne,' zei Meerke, nijdig omdat zij niets ontvangen had.

'Ik zeg niet dat hij mijn cavalier geweest is. Ik spreek van mens tot mens.'

De bevolking van Bastegem had geraden dat om een of andere duistere reden de bescherming van hogerhand van Holst was weggevallen en had, woordeloos juichend, woordenrijk talmend, bij het politieonderzoek getuigd dat hij boven zijn stand getrouwd was alleen maar om het dorp met de neus aan te kunnen kijken, dorp dat hem vroeger misprezen had.

Of hij in staat was Madame Laura, zijn echtgenote, iets aan te doen?

'Dat, Mijnheer de juge, dat is veel gezeid, maar ge had dat verschil tussen hen.'

'Madame Laura was toch ook van simpele komaf.'

'Maar het geld, Mijnheer de juge, dat maakt verschil.'

Terwijl Holst op eendenjacht was ('Met wie? Men gaat niet alleen op eendenjacht.' 'Hij wel, Mijnheer de juge.'), was er ingebroken in het huis met de vele kamers.

'Door wie?'

'Ze zeggen, maar ja, ze zeggen zoveel, dat het de juniores van Bastegem Excelsior geweest zouden zijn.'

'Wie?'

'Ik was er niet bij, Mijnheer de juge.'

'Iemand heeft een ruit in de achterkeuken verbrijzeld teneinde een raam te openen, maar dat is niet gelukt, omdat Holst onverhoeds terugkwam. Wie?'

'Wie? Ja, wie.'

'De Keyser, Gaston, de slotenmaker, zegt dat hij daarna samen met een gerechtelijk inspecteur de voordeur heeft opengedaan.'

'Als De Keyser dat zegt, is het teken dat het waar is.'

'Wie was die gerechtelijke inspecteur?'

'Dat moet ge aan De Keyser vragen natuurlijk, niet aan mij.'

'Maar De Keyser, Gaston, zegt dat hij die gerechtelijke inspecteur niet kent. En wij kennen hem ook niet.'

'Daar kunnen wij niets aan doen, Mijnheer de juge.'

Het gerecht had langs de spoorweg een zeegroen satijnen vrouwenschoentje gevonden met sporen van geronnen bloed in de hiel. Niemand anders in Bastegem dan Madame Laura zou het in haar hoofd halen om zo'n schoentje te dragen. Ge kunt er met moeite op staan.

Het gerecht had de kokosmat bij de ingang van het kasteeltje aan een onderzoek onderworpen. Ook sporen van bloed.

De voorwerpen, ambtshalve in het huis in beslag genomen, waren twee messen: een groot broodmes en een keukenmes.

Wat horen wij nog meer? Wat wordt er nog meer getuigd?

Dat op bezoek komende ten huize van het slachtoffer, De Bock, Rafael, tegenover de kelderingang, onderaan, circa vijftig centimeter van de scheidingsmuur twee diepe inkervingen heeft opgemerkt, en een weinig kalk die op de plint gevallen was.

Dat Goossens, Antoon, veldwachter, op nachtronde zijnde, oproergeluiden uit het kasteeltje heeft horen weerklinken en duidelijk herkenbaar de stem van Madame Laura, ik bedoel, Vandenghinste, Laura.

Dat De Brauwere, Arthemise-Arlette, gehoord heeft uit de mond van verdachte dat Madame Laura niet langer meer in het gras zou wateren zoals zij altijd zo gaarne deed. Naar de redenen daaromtrent gevraagd heeft verdachte verklaard dat het nu eenmaal zo was, amen en uit. De Brauwere Arthemise-Arlette geeft toe dat dit gebeurde na groot verteer in het kamertje gelegen nevens de eigenlijke bar van de herberg 'Picardy', instelling niet bekend als ontuchthuis, nochtans van besproken faam. Volhardt na lezing en tekent.

==

'Als hij maar een goede advocaat neemt,' zei Meerke. 'Want er moeten straffere bewijzen zijn. Er moet een lijk zijn. Zonder lijk kan hij niet beticht worden.'

'Ik geloof nooit dat hij een broodmes of een keukenmes gebruikt heeft,' zei Mama. 'Hij heeft haar gewurgd. Met die grote handen van hem.'

'Gewurgd. Dan in stukjes gesneden. En dan in de ongebluste kalk,' zei Louis.

'Nee,' zei Mama. 'Dat is zijn genre niet. Hij is veel te romantisch.'

Raf had ook een kaartje gekregen uit de gevangenis. 'Waar blijft Konrad? Alstublief.'

De reeds nader vereenzelvigde Arlette De Brauwere sprekende met de officier commissaris bij de rechterlijke opdrachten en hulpofficier van den Procureur des Konings verklaart dat zij begeert Vlaams te spreken en zegt dat zij het geld, de som van vierduizend frank, die Holst, Andre, in het etablissement 'Picardy' verteerd heeft de laatste keer, aan de Gerechtigheid geeft, integraal, omdat zij geen geld wil dat voortkomt uit een moord.

==

In de gevel zijn links van de deur twee ramen waarop het opschrift 'Picardy' voorkomt. De ramen zijn voorzien van gordijnen die in het midden weggetrokken zijn. De gevel is in het rood geverfd. Op het ogenblik der vaststellingen zitten twee juffrouwen voor het rechtervenster goed zichtbaar voor de voorbijgangers. De ingangsdeur geeft toegang tot een kleine hall waarin links een deur toegang verschaft tot de eigenlijke bar. Op het einde van de hall rechtover de ingangsdeur is een deur die uitgeeft op de trapzaal. Op het einde van de trapzaal een deur die uitgeeft op een overdekte waterplaats. In de trapzaal geeft ook nog een deur uit die uitgeeft op een tweede kamer palende aan de eigenlijke bar.

De eigenlijke bar is van de tweede kamer, die als een salon gemeubeld is, gescheiden door een muur met opening welke kan gesloten worden door een ondoorzichtig gordijn. Dit gordijn was bij ons binnentreden opengeschoven. De eerste kamer, ingericht als bar, is voorzien van een toonbank, een drietal tafeltjes en een achttal zetels of tabourets.